maandag 19 augustus 2019

Examentips juni

Kosmografie

Afhankelijk van welke leerstof al te kennen was voor het examen in december zullen sommige van deze tips niet meer van toepassing zijn in juni.
  • Zorg dat je kan uitleggen hoe GPS-plaatsbepaling werkt.
  • De oerknal is NIET hetzelfde als het ontstaan van het zonnestelsel. Hou ze bij het studeren goed uit elkaar, en denk er rustig over na op het examen! 
  • Let op het verschil tussen kometen en meteoren/meteorieten.
  • Kennen: de hoek tussen aardas en eclipticavlak + de hoek tussen evenaarsvlak en eclipticavlak. Je moet zelf deze hoeken kunnen gebruiken om de ligging van de bijzondere breedtecirkels op een figuur weer te geven.
  • Ontstaan en evolutie van sterren: bekijk zeker de extra figuur in de PPT. Ga na of je de theorie over evolutie van sterren ermee kan uitleggen. Dat kan nuttig zijn.
  • Afstanden in het heelal: je moet uiteraard met de afstandseenheden kunnen werken (AE, lichtjaar). Er wordt ook verwacht dat je inzicht hebt in de verhoudingen in het heelal.
    • De aarde staat zeer dicht bij de maan (ongeveer 384 000 km). 
    • Binnen ons zonnestelsel hebben de afstanden een grootteorde van een aantal astronomische eenheden of een aantal lichtminuten. De afstand tussen de zon en Neptunus (de planeet het verst van de zon) is ongeveer 30 AE.
    • De Oortwolk, de uiterste rand van het zonnestelsel, bevindt zich op enkele duizenden AE van de zon (men schat in de orde van 1 à 3 lichtjaar, dus halfweg tot de eerstvolgende ster).
    • De ster die het dichtst bij de zon staat (Proxima Centauri) bevindt zich op 4,2 lichtjaar.
    • Onze Melkweg heeft een diameter van ongeveer 100 000 lichtjaar.
    • Het sterrenstelsel dat het dichtst bij de Melkweg staat is het Canis Major dwergstelsel. Dat bevindt zich op ongeveer 42 000 lichtjaar van het centrum van de Melkweg.
  • Zorg dat je heel goed weet hoe de belichting van de aardbol verandert doorheen het jaar. Let op de gevolgen voor lengte van de dag, culminatiehoogte van de zon, seizoenen...

Atmosfeer

  • Zeer belangrijk: model van globale luchtcirculatie. Let op de verschuiving van de drukgordels doorheen het jaar (door de schuine stand van de aardas op het eclipticavlak...).
  • Je krijgt in de les aanwijzingen die je kan gebruiken om te verklaren waarom een klimaattype op een bepaalde plaats voorkomt. Zorg dat je deze goed kan toepassen.
  • De indeling van de atmosfeer volgens temperatuurverloop is belangrijk. Ook de eigenschappen van de verschillende lagen moet je goed kennen.
  • Invloed van verschillende factoren op de temperatuur (bv. ligging t.o.v. land/zee; ligging in drukgordel van de globale luchtcirculatie; aanwezigheid van warme of koude zeestromen...)
  • Weerkaarten
    • Symbolen en hun betekenis kennen 
    • Afleiden van weersomstandigheden van een weerkaart (bewolking, windrichting...)
    • Weerkaart en satellietbeeld aan elkaar kunnen linken
    • Oefeningen die we maken grondig herbekijken
    • Tip: kijk een aantal keer aandachtig naar het weerbericht (kan bv. via www.vrtnu.be, zoek naar 'weerbericht'). Bestudeer aandachtig de weerkaart. Probeer zelf te voorspellen: welke bewolking zal er zijn, zal het hard waaien of niet, wat is de windrichting...

Geen opmerkingen:

Een reactie posten